Rijnlandgeschiedenis.nl gebruikt cookies om bezoek te meten en om het voor bezoekers mogelijk te maken informatie op deze website te delen via social media. Door verder gebruik te maken van deze website ga je hiermee akkoord.

Accepteer cookies
Woensdag 13 januari 2016

Stichting Historische Publicaties Holland-Rijnland

De stad, het vuil en de beerput

Archeologe en historica Roos van Oosten doet onderzoek naar misschien wel het smerigste puzzelstukje van de stadsgeschiedenis van Leiden: wat gebeurde er met de poep en pis van de stadsbewoners in de pre-industriële tijd? In haar boek ’De stad, het vuil en de beerput’ onderzoekt zij de sanitaire infrastructuur van verschillende steden en belicht zij de opkomst van beerputten in de veertiende eeuw.

Tot het einde van de zestiende eeuw moesten fecaliën (poep) en urine worden opgevangen in gesloten beerputten. Deze regel gold in Leiden, maar ook in andere steden zoals Haarlem en Alkmaar.

De beerput stonden achter op het erf onder het secreethuisje waar de bewoners hun behoefte konden doen. Door de stadsbesturen werd de regel uitgevaardigd dat de beerputten niet in de grachten mochten worden geleegd, omdat dit ertoe leidde dat de grachten dichtslibden.

Niet alleen uitwerpselen, maar ook afval verdween in de beerputten. In opgegraven beerputten zijn door archeologen allerlei gebruiksvoorwerpen, zoals aardewerk en bakpannen, gevonden. De beerput werd enkel gezien als leverancier van vondstmateriaal, maar de beerput zelf werd nooit goed onderzocht. Van Oosten noemt het daarom dan ook de 'blinde vlek' in de archeologie. Zij wilde juist weten waarom er beerputten werden aangelegd in steden en waarom ze uiteindelijk weer verdwenen.

Bron: Leidsch Dagblad